On when to cause offence

There is something that has bothered me for years.

Different groups of people who live by the idea that doing their best is good enough, but who actually fail to be good enough. Teachers, family, bahá’ís, friends, co-workers, academics, authors, activists. Many people whose heart is in the right place.

If I’ve learned anything in 2016, travelling in the United States, in China, in Japan and in Europe, it is that people mean well, but expect that change comes about through intentions alone. Continue reading “On when to cause offence”

Recensie: ‘Jij zegt het’ door Connie Palmen

Een boek om nog lang over na te denken.

Het meest recente boek van Connie Palmen (Prometheus, 2015) heeft voor redelijk wat ophef gezorgd. Een roman, een vertelling, over de beroemde liefdesrelatie tussen het dichtersduo Sylvia Plath en Ted Hughes. Een liefde die voor altijd is getekend door de zelfmoord van Plath.

Plath liet Ted Hughes en haar twee kleine kinderen achter, en de media indertijd smulden er van. Nog steeds wordt Plath vereerd door vrijgevochten vrouwen. Hughes werd afgeschilderd als de boeman, die de feministe en dichteres Plath van de mogelijkheid tot leven beroofde. Hij was degene die vreemd ging, die zijn vrouw achterliet om te zorgen voor de kinderen. Het boek van Palmen is een terugblik van Hughes. Een terugblik op zijn tijd met Plath. Een bijzonder boek, dat een uitgebreide reflectie oproept.

Continue reading “Recensie: ‘Jij zegt het’ door Connie Palmen”

Heb roekeloos lief!

Beautiful piece, by young Dutch writer…

Heb roekeloos lief!
door: Oscar Kocken Sep 27 2005

‘Ik wil best met je in zee,’ fluisterde mijn grote liefde in mijn slaap, ‘Maar ik ben zo bang dat ik strand.’
Ik opende mijn ogen, voelde haar schouderbladen tegen mijn borst, mijn buik precies in de holte van haar rug, de handen van de een als een mal voor die van de ander. En ik vergat wat ze zojuist gezegd had.
En mompelde: ‘Hmhm.’
Terwijl ik had moeten zeggen: ‘Denk niet, heb roekeloos lief!’ of: ‘Ik strand met je mee.’ Ik deed het niet. Ik mompelde: ‘Hmhm.’

Ik sliep weer verder. Droomde dat ik prachtig piano speelde. Dat heel de straat vond dat ik maar beter beroemd kon worden. Dat ik prijzen won en op wereldtournee moest. Dat ik avond aan avond optredens had in louche kroegen. Dat wulpse dames met uitdagende decolletés vleugellam over mijn piano hingen. Dat ongure kroegbazen niet betaalden, maar uitsluitend geheimzinnig knipoogden. Dat vadsige barmannen niets anders schonken dan dure whisky die smaakte naar zure room.
Dat ik moest spelen voor de president van Kazachstan. Dat we naderhand dikke sigaren rookten, dat magere meisjes zich op onze schoot posteerden, dat zij met onze haren speelden, aan de knoopjes van onze witte overhemden pulkten. Rode afdrukken op onze kragen achterlieten. Roken naar chloorbleek. Klonken als hongerige meeuwen. Vlezige wondjes in de plooi van hun armen hadden. Hun neus doorlopend snoten. Hun slappe lippen op de onze duwden. In broeken graaiden. Onverstaanbaar kreunden dat het een aard had.

Dat ik ’s nachts in mijn hotel wakker werd, een koude plek naast me voelde. Dat ik mijn grote liefde belde, dat zij fluisterde: ‘Ik mis je,’ en dat ik dacht aan haar droevige blik, haar zoete lippen die ze zo zachtjes in mijn nek kon drukken, haar handen in de mijne. En ik vergat wat ze zojuist gezegd had.
En mompelde: ‘Hmhm.’
Terwijl ik had moeten zeggen: ‘Ik jou ook!’ of: ‘Laten we dat dan samen doen!’ of: ‘Ik kom naar je terug!’ Ik deed het niet. Ik mompelde: ‘Hmhm.’

Ik sliep weer verder. Besefte dat mijn gevatheid het beste tot zijn recht komt in retrospectief. Dat ik misschien schrijver zou moeten worden, dat ik mijn leven op papier moest zetten en dat ik dan alles twee keer kon meemaken. Dat mijn verleden zich tegelijkertijd zou afspelen met het heden. Dat dat mij wat extra tijd gaf om mijn keuzes te overdenken. En ik overdacht mijn keuzes. Van alles passeerde mijn gedachte: haar geur, haar grapjes, haar glinsterende ogen, de moedervlek op haar wang, hoe ik op mijn tenen moest staan om haar te kussen. En ik vergat waarom ik zojuist mijn keuze moest overdenken.
En mompelde: ‘Hmhm.’
Terwijl zij zich dichter tegen me aanvleit. En fluistert. Van alles. En ik luister. Naar alles. Ik doe niets. Ik mompel: ‘Hmhm.